Goedkope hbo-docenten · 11 juli 2008 span>
Van de week hoorde ik een opleidingsmanager na een sollicitatieronde zeggen dat zijn kansen verkeken waren. Hij kon geen geschikte economiedocent voor zijn MER opleiding krijgen. Een van de zes kandidaten bleek geschikt te zijn, hij haakte af toen hij hoorde ingeschaald te worden in schaal 11. In het voortgezet onderwijs werd hij in schaal 12 geplaatst.
Ik begrijp deze kandidaat. Het HBO is op zoek naar goedkope krachten. Dat wordt niet gezegd, de praktijk laat dit wel zien. Ik heb in de afgelopen jaren nog geen beginnend docent opgetogen horen vertellen dat hij vanuit schaal 12 kon starten. Er is hem beloofd dat dit behoort tot de mogelijkheden. Maar met deze beloftes kan hij niet naar de bakker. Dat hogescholen vanuit begrotingen werken en personele kosten willen beperken snap ik. Nieuwe medewerkers moet je vanuit loopbaanperspectief misschien niet te hoog inschalen. Wat ik niet begrijp is dat docenten nog steeds taken uitvoeren die echt door werknemers in schaal 4 uitgevoerd kunnen worden. Een directeur van een supermarktconcern laten we toch ook geen vakken vullen. Daar is die man te duur voor. Er wordt in het onderwijs geld weggegooid. Tijdens cursussen Timemanagement hoor ik dat docenten in schaal 12 en zelfs 13 (‘tja als ex opleidingsmanager kan je niet teruggezet worden) zelf kopietjes draaien. Ze zijn uren met de vormgeving van werkbladen bezig. Als ze over de cijferadministratie beginnen, komt de stoom uit hun oren. Voor deze klussen hebben zij geen wetenschappelijke opleiding nodig. Veel eenvoudige taken zijn hbo-docenten uit handen te nemen. Zo komt er tijd vrij voor inhoudelijk verdieping, overleg, afstemming, oefening. Ik stel voor om iedere hbo-docent een secretaresse, drie studentassistenten, een docent in opleiding, een collega in schaal 10 en een collega in schaal 11 toe te kennen. Maximale ondersteuning inderdaad. ‘Dure’ krachten moeten toch gerichter in te zetten zijn?
Eigenwijze docenten · 21 juni 2007 span>
‘Wat moet ik met zo’n man?’ vroeg ze mij bijna radeloos. We zaten in een voorbespreking van een studiedag. Ze wilde als opleidingsmanager de studiedag inzetten om toetsactiviteiten effectiever te organiseren. De betrokkenheid van haar team richting studenten was groot. Of alles efficiënt en effectief verliep, daarover had zij haar twijfels. Veel docenten besteedden veel tijd aan het toetsen. Als opleidingsmanager viel haar op dat twee docenten voortdurend kritiek leverden op de organisatie. Ook het inefficiënte beoordelen werd toegeschreven aan de organisatie. De twee critici uit het team bleven stug volhouden dat zij te weinig tijd kregen om te beoordelen. Als opleidingsmanager kwam ze geen stap verder. Zij moest het helaas doen met de toegekende uren. Het enige dat zij als opleidingsmanager kon doen, was collectief naar oplossingen zoeken. Meer kon ze niet.
Op de studiedag wilde ze met het team tot gedragen afspraken komen. Maar ze voorzag nu al problemen. Ze hoopte dat ik het team op een positieve manier kon beïnvloeden. Ze hoopte vooral dat ik als trainer die twee kritische heren mee zou trekken. Ik beloofde mijn best te doen en middels gerichte opdrachten tot een gedeelde aanpak te komen.
Toen de voorbespreking was afgelopen besefte ik me dat haar verhaal over het blijvend verzet van twee docenten ‘typisch hbo’ was. Organisatieproblemen werden door hen niet gedeeld. Betrokkenheid niet getoond. Deze twee docenten schreven werkelijk alles aan anderen toe. Steeds op een agressieve manier. Daarmee beïnvloedden zij ook collega’s in het team.
Na het aanhoren van deze opleidingsmanager rezen mijn twijfels over de vraag of docenten wel over volledige autonomie moeten beschikken. Of zij inderdaad in staat zijn de juiste beslissingen te nemen. Deze docenten opereerden als solisten. Ze waren niet in staat zich als teamlid te buigen over deze problematiek. En vermoedelijk zou de studiedag daar ook niet aan bijdragen.
Werkdruk, schei toch uit…………… · 9 mei 2007 span>
Er wordt enorm geklaagd over de werkdruk in het onderwijs. Wat onder werkdruk wordt verstaan is niet altijd duidelijk. De onderwijsbond gaf onlangs een brochure uit. Daarin werd werkdruk van werklast onderscheiden. Werklast bestaat een verzameling taken. Taken als lesgeven, toetsen nakijken, vergaderen, cijfers verwerken. Werklast is objectief vast te stellen.
Werkdruk is subjectiever. Ze wordt verschillend ervaren door docenten. Werkdruk is een gevoel. Veel docenten klagen over de hoge werkdruk zonder zicht te hebben op de feitelijke werklast. Terecht of onterecht. Er zijn docenten die snel werken. Die zakelijk met studenten omgaan. Op de gang wijzen ze studenten vriendelijk op het feit nu geen tijd te hebben en graag een afspraak te maken.
Ze plannen stelselmatig afspraken in hun agenda. Als zij door collega’s afgeleid worden, vragen zij beleefd of taken afgemaakt mogen worden. Ze leven niet bij de waan van de dag maar bereiden onderwijsactiviteiten voor. Op onverwachtse verzoeken gaan ze niet klakkeloos in. Alleen als het past in hun agenda zeggen zij hun medewerking toe. Werkdruk ervaren zij nauwelijks. Ze verdelen hun werklast op een goede manier.
Er zijn ook docenten die altijd tijd hebben voor studenten. Op hun mobiel zijn ze dag en nacht bereikbaar. Ook als zij met andere activiteiten bezig zijn. In de gang knopen zij graag gesprekjes aan. Ook over niet functionele zaken. Als ze even alleen zijn reageren zij het liefst direct op alle binnenkomende mail. Voor vakantiefoto’s van collega’s hebben ze wél even tijd. Vergaderingen moeten niet te strak worden geleid. Deze moeten gezellig zijn. Als zij hun dagelijkse takenlijstje niet krijgen afgewerkt, schuiven zij deze door naar morgen. Soms hoopt het werk zich op. Bijvoorbeeld in beoordelingsperioden. Dan slaat de paniek toe. Werklast wordt werkdruk. Heel gek, maar tijd om hierover te klagen hebben deze docenten dan weer wel.
Hogeschooldocent, wat een wereldbaan · 22 februari 2007 span>
Laatst werd mij gevraagd of mijn columns niet wat vrolijker konden. Natuurlijk kan dat. Ik werk graag vraaggestuurd. Er gaat inderdaad niets boven een baan als hogeschooldocent. Ik heb nog nooit zoveel vrijheid gehad. Op het gevaarlijke af. In lessen kan ik ongegeneerd uitweiden. Niemand die mij in de reden valt. Wat ik thuis aan spreektijd tekort kom haal ik op maandagmorgen al in. Ik mag onderwijstaken uitvoeren naar eigen goeddunken. Niemand die mij op de vingers tikt. Een opdrachtje hier, een testje daar. Wat pluimen en tips voor geïnteresseerden. Alles wat ik doe lijkt goed te zijn. Ik heb de term kritische beroepssituatie dan ook nooit goed begrepen.
Okay, je kunt taken niet leuk vinden. Minder uitdagend, saai. Geen nood. Als hogeschooldocent kun je participeren in allerlei projecten, taakgroepen, denktanks, platforms, stuurgroepen, stuurgroepen van denktanks. Weet je wat zo geweldig is. Dat je nooit afgerekend wordt op projecten die mislukken. Ze worden namelijk nooit geëvalueerd.
Als je toe bent aan andere collega’s, bureau, gebouw of directeur kan je altijd intern solliciteren bij een andere opleiding of dienst. Als docent ben je in dit competentiegerichte tijdperk immers overal inzetbaar. En als een andere locatie je niet aanspreekt is er altijd wel een leuke cursus te volgen. Binnen of buiten de hogeschool. Cursussen leiden niet alleen tot interessante inzichten. Meestal houd je er ook leuke contacten aan over. Een netwerk buiten de hogeschool wordt bovendien nog gewaardeerd ook.
Nee, het werk op de hogeschool is meer dan goed. En dan heb ik het nog niet eens over die personeelsfeesten, borrels, excursies, flessen wijn en kerstpakketten. Een baan als hogeschooldocent kent ook zijn beperkingen. Eerlijk is eerlijk. Ik mag niet dronken voor de klas, mij niet vergrijpen aan studenten en geweld gebruiken. Maar voor de rest is het hier een grote punica-oase.
Gevraagd: een mentor die 4 jaar meeloopt · 23 januari 2007 span>
Ik blijft het nog steeds bizar vinden dat derdejaarsstudenten tegen de lamp lopen en in de latere fase van hun opleiding niet geschikt blijken te zijn voor het vak. Zo schrok mijn collega verleden week van een portfolio waarin alle bewijzen van ‘kunnen’ tegen de student in kwestie spraken. Op de stageplek hadden ze hem het dringende advies gegeven een andere baan te zoeken. Deze jongen had geen cognitief probleem. Zijn persoonlijkheid bleek niet te matchen met de beroepsrollen. Helaas was dat alleen stagebegeleiders duidelijk geworden. De student bleef zeggen recht te hebben zijn studie af te ronden.
De vraag die ons beide bezighield was: hoe was deze student zo ver gekomen in de opleiding? Hadden onze toetsen en begeleidingsgesprekken niet tot vereiste inzichten geleid? Of leed deze student aan chronische zelfoverschatting en was dit zijn leerstijl? We kwamen beiden tot de conclusie dat we in een niet sluitend onderwijssysteem werkzaam zijn. Open maar ook onpersoonlijk. Wij, docenten zijn niet op de hoogte van studenten die elders zijn vastgelopen. Er staat geen kaartenbak met studentgegevens. Een digitaal studentvolgsysteem staat niet tot onze beschikking. Bovendien zijn de instapeisen van studieonderdelen vaak niet expliciet.
De ontbrekende leergeschiedenis van individuele studenten speelt ons, in tegenstelling tot het basisonderwijs, parten. Want daar neemt de lerares haar groep het hele jaar op sleeptouw. Ze geeft verschillende vakken. Indien nodig draagt ze zaken in kleine kring over. Onze studenten krijgen het voordeel van de twijfel. Van vakdocenten op eilanden en studieloopbaanbegeleiders per leerjaar. Ze worden niet over periodes van vier, vijf of zes jaar gevolgd. Er zijn geen dossiers. Alleen studiepunten. Portfolio’s die elk jaar anders moeten worden vormgegeven. En zo kwamen wij samen tot de conclusie dat studenten het beste gevolgd kunnen worden door één docent. Hij houdt ze in beeld.
